maandag 20 oktober 2008

Massaontslag ingetrokken wegens slapeloze nachten baas

Enkele dagen na het besluit om 1900 banen te schrappen bij de Indiase luchtvaartmaatschappij Jet Airways, heeft oprichter en bestuur Goyal het collectieve ontslag ingetrokken. Goyal verklaarde er slecht van te slapen.

Het management wilde van het personeel af vanwege gestegen kosten en de economische crisis. ‘Het management moet begrijpen dat er in een familie soms sprake is van meningsverschillen, maar dat de vader de beslissingen neemt’, zei Goyal als een ware pater familias. Hij ontkende dat Jet Airways vanwege hevige politieke druk de ontslagen heeft teruggedraaid.

‘Dit was de meest emotionele dag in mijn leven. Ik kan het niet aan om het personeel verdrietig te zien’, zei hij naar aanleiding van de emotionele protesten van het personeel nadat ze vernomen dat ze hun baan zouden verliezen.

Het verlieslijdende Jet Airways moet volgens Goyal naar andere opties kijken om kosten te besparen in plaats van personeelsreducties. Indiase media melden dat het topmanagement mogelijk moet inleveren op salaris.

P&O Actueel 20-10-2008
'Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald'.
En..'Wat Gij niet wilt dat u geschedt, doet dat ook een ander niet'.

zondag 19 oktober 2008

EEN DERDE WEG?

Met interesse heb ik vanmiddag geluisterd naar prof. Arjo Klamer in Buitenhof. Vooral wat betreft het opnieuw in de aandacht brengen van de geheel verkeerd begrepen Adam Smith (The Theory of the Moral Sentiments EDINBURGH:1759) en het doorbreken van het dualistische denken over 'markt - overheid' door het benadrukken van een sterke rol van 'de samenleving'.
Iemand als emeritus hoogleraar Prof. Dr. Cees Zwart (http://www.narrator-zwart.eu/) brengt al sinds de jaren '70 dit vraagstuk op meesterlijke wijze voor het voetlicht. Ik durf dat zo te stellen aangezien ik hem al ruim 30 jaar in zijn gedachtengang volg.
Ook ik ben niet ongelukkig met de huidige financiële kredietcrisis. Het leven slaat terug als de uitvoering van onvruchtbare ideeën te sterk doorschiet. De ontwikkelkunde zegt dat crises vaak nodig zijn om nieuwe benaderingen het licht te geven. Crisis als kans voor het nieuwe. En het interessante is nu dat Klamer als een soort 'maverick' de moed heeft zo'n nieuwe benadering uit te spreken. Zijn opponent begreep er maar weinig van. Zit helaas nog teveel geketend aan de verkalkte neoliberale filosofie, hoewel niet 'ongeclausuleerd', zoals hij zich uitdrukte. Echter wel oude wijn in oude zakken.
Toch plaats ik enkele opbouwende kanttekeningen bij Klamers betoog.

De vraag is of Klamer met zijn drieheid van 'markt, overheid, samenleving' op de goede weg is. In mijn gevoel hapert er iets aan. Hieronder ligt ik dit toe.

Als mens staan wij op met een drievoudige oriëntatie in de samenleving:

Samen met anderen zijn wij medemens in het sociale leven, ons omgangsleven, het rechtsleven:
• als kind/medemens/partner in een persoonlijke relatie, huwelijk of gezin;
• als landgenoot deel uitmakend van een volk of natie;
• als burger in relatie tot de verschillende overheden;
• als kiezer, volksvertegenwoordiger of overheidsdienaar op gemeentelijk, provinciaal of landelijk niveau;
• als buurt-of wijkbewoner;
• als patiënt in een ziekenhuis;
• als gevangene in een huis van bewaring;
• als reiziger voor kortere of langere tijd onderweg;
• e.d.

In andere rollen zijn wij als individu in ontwikkeling in het geestelijk-culturele leven van onze samenleving:
• als leerling/student of professor/docent in een opleidings-/leerproces op school of universiteit;
• als lidmaat of geestelijke van een kerkgenootschap;
• als kunstminnaar of kunstenaar;
• als wetenschapper in een onderzoeksproject;
• als schrijver en als lezer van diens werk;
• e.d.

Verder zijn wij allen deelgenoot in het economische leven met onze bijdragen:
• als consument, producent of handelaar van waren;
• als beroepsbeoefenaar (werkgever of werknemer) werkzaam ten dienste van anderen in een organisatie of als zelfstandige;
• e.d.

(In het aanhangsel ‘Over mens en samenleving’ in mijn vorig jaar verschenen boek ‘Humaan ontslaan?!, een ontwikkelingsgerichte kijk op ontslag’ werk ik dit ontwikkelingsconcept van een driegelede samenlevingsstructuur verder uit. Bron o.a Die Kernpunkte der sozialen Frage in den Lebensnotwendigkeiten der Gegenwart und Zukunft; Steiner 1919).

Klamers drieheid van ‘Markt, Overheid en Samenleving’ geeft in dit licht voor mij, als ik het vergelijkend bekijk, een onevenwichtigheid.
Vergelijk:
Handen - markt
Borst – overheid
Lichaam – samenleving

Immers:
• markt en overheid maken deel uit van de samenleving als geheel zoals de handen en de borst van het gehele lichaam;
• onze handen zijn onderdeel van ons gehele stofwisselings-ledematenstelsel; in deze zin is ‘de markt’ een onzuiver begrip geworden als we het in zijn wezenlijke betekenis beschouwen; in de praktijk zien we immers dat er eigenlijk voornamelijk wordt gedoeld op het zo vrij mogelijk kunnen opereren van ‘commerciële eigen belang doelorganisaties’; met name de consumenten lijken hier in principe de sterkste partij (zonder hun koopgedrag kan geen onderneming bestaan), maar zijn tegelijkertijd de zwakst georganiseerde partij;
• de overheid is niet een kerngeleding in onze samenleving zoals ons bloedsomloop-ademhalingsstelsel in ons gehele lichaam; de overheid maakt als dienstverlenende organisatie(s) deel uit van het ‘sociale leven’, het omgangsleven’, het politieke c.q. rechtsleven;

Interessant in mijn ogen is nu om de drie beginselen van de Frans Revolutie ‘Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap (of Samenwerking) te betrekken op dit drieledige samenlevingsconcept in het licht van de huidige crisis en het debat daarover.
‘Vrijheid’ in de betekenis van geestelijke vrijheid als basisprincipe heeft bij uitstek zijn thuis in het geestelijk-culturele leven.
‘Gelijkheid’ (ook gelijkwaardigheid ofwel gelijke behandeling in de zin van de wet) heeft zijn thuis in het rechtsleven.
‘Broederschap’ (of samenwerking) heeft als ideaal vooral zijn toepassingsgebied in het economische leven. Het gaat hierbij niet alleen om samenwerking binnen of tussen productorganisaties, zoals door middel van fusies, overnames, joint-ventures, strategische allianties of anderszins wordt nagestreefd, maar tevens om nog slechts in relatief geringe mate tot ontwikkeling gekomen samenwerkingsvormen tussen bijvoorbeeld productorganisaties, retailorganisaties en dienstverlenende organisaties, alsmede nieuw ontstane consumentenkringen.
Steiner ziet het als noodzakelijk dat in het economische leven associaties zullen ontstaan waarin diegenen zich verenigen die productie en handel ‘drijven’ evenals consumenten. Slechts productie, distributie (‘circulatie’) van waren en consumptie zullen daarin een rol spelen. Volgens hem zal arbeid meer en meer tot het rechtsleven gaan behoren.

Solche Assoziationen werden sich zusammenfügen. Das wird schon entstehen, ich habe keine Sorge. Wer mir sagt, das ist Utopie, dem sage ich: “Ich weiss, dass diese Assoziationen entstehen einfach aus den unterbewussten Kräften im Menschen. Wir können aber diesen Assoziationen fördern durch die Vernunft, wir können sie schneller entstehen lassen oder aber warten, bis sie sich aus der Not heraus entwickeln” (Steiner 1922).
In het economische leven vormen grondstofverwerving en productie, logistiek en handel evenals consumptie basisfuncties in de keten van grondstof tot consument. In het bijzonder consumenten laten het tot in deze tijd nog steeds vrijwel volledig afweten om zich in economische zin te organiseren. Op een relatief kleinschalig niveau zijn hiervan wel eerste kiemen zichtbaar, zoals in bepaalde consumentenkringen die zich als het ware ‘associatief’ trachten te organiseren rondom en met biologische of biologisch-dynamische landbouwbedrijven, zoals de Pergola-associatie.

Als Klamer nu benadrukt dat ‘de samenleving’ met zijn waarden een derde component zou moeten gaan vormen ten opzichte van de tweeheid van ‘markt – overheid’ dan zou ik ‘samenleving’ primair willen vertalen in ‘georganiseerde consumenten’.
Daartoe is eerst idee-ontwikkeling noodzakelijk. Denken gaat voor doen.
Het initiatief zou uit kunnen gaan van consumenten zelf…..het wachten daarop kan echter lang duren. Wellicht zou het initiatief eerder van een enkele onderneming kunnen komen met één overzichtelijke specifieke product-marktcombinatie. Een bedrijf dat inziet dat haar doelstelling (bestaansfunctie) is ‘het voorzien in de behoeften van haar consumenten’. Objectief beschouwd een altruïstisch doel. Zonder morele kwalificatie. In plaats van het maximaliseren van de aandeelhouderswaarde. Dat is geen doelstelling maar een motief. En dat motief (dat egocentrisch is) staat haaks op haar bestaansfunctie. Daardoor komen ondernemingsleiders in een spagaat terecht. Echter, aangezien er in verregaande mate sprake is van institutionalisering kunnen zij ermee leven. Tot de crisis uitbreekt en het schaamrood op hun kaken verschijnt.

Het associatief tot stand brengen van samenwerking van een productorganisaties, bijbehorende tussenhandel (groothandel, winkeliers) en een consumenten-organisatie vereist een geleid proces door professionals die van het associatieprincipe zijn doordrongen en die dergelijke initiatiefprocessen kunnen begeleiden. Die zijn schaars, maar ik denk wel dat ze er zijn.
Het Vaticaan is ooit met een stalletje begonnen. Zo ook hier. De weg naar samenwerking in ons economisch leven waarin de egoïsmen elkaar kunnen gaan neutraliseren door wederzijdse open informatie en overleg is niet een heilsboodschap die het paradijs op aarde zal brengen. Wel is het een echte kans om de huidige doorgeschoten hebberigheden te helpen doorbreken.

maandag 13 oktober 2008

EEN SLECHT IDEE

Het initiatief 'EénVandaag Index van start' om 1000 euro naar de beurs te brengen en te investeren in enkele toonaangevende bedrijven vind ik een slecht idee. Iedere week wil men zich laten adviseren door experts, die ook uitleggen waarom we nu moeten kopen, of waarom verkopen beter is. Met als vraag: Lukt het ons al om te profiteren van de stijgende koersen van vandaag?

Een dergelijk initiatief bevestigt en stimuleert de attitude die juist tot de grote financiële crisis heeft geleid. De attitude van de hebberigheid.

Investeren in aandelen heeft teveel als motief 'het er zelf financieel beter van worden', terwijl objectief gezien investeringsgeld ten dienste wordt gesteld van ondernemingen om daarmee in de behoeften van de samenleving te kunnen voorzien. Echter, vele ondernemingen verwarren het egocentrische motief achter hun handelen met de objectief-altruïstische doelstelling die elke onderneming heeft.

Voorbeeld: een bank is er voor de financiële dienstverlening aan klanten en bedrijven. Als het primaire motief is om daaraan geld te verdienen (maximaliseren van de aandeelhouderswaarde) dan staat dat haaks op de objectieve dienstverlenende doelstelling. Zo komen ondernemers in een spagaat terecht. Het egocentrisme is echter gemeengoed geworden en als het ware 'geïnstitutionaliseerd'. Daardoor ligt men er niet echt wakker van......totdat de crisis losbarst en er pijn moet worden geleden. De huidige crisis toont ons dat motief en doelstelling van de onderneming moeten worden ontward.

Het zou daarom beter zijn om experts te raadplegen die ideeën hebben over het maatschappelijk bewust met geld omgaan, in plaats van het bevestigen en stimuleren van ideeën om de hebberigheid van mensen te bevorderen.

donderdag 24 juli 2008

HOGERE ONTSLAGVERGOEDING DAN KANTONRECHTERSFORMULE

Een commercieel manager krijgt na een jaar werken een ontslagvergoeding van 40.000 tot 100.000 euro. De vergoeding is zo hoog vanwege het grote afbreukrisico voor zijn verdere loopbaan. Hij werd ontslagen omdat zijn leidinggevende geen vertrouwen meer had in zijn functioneren. Dit heeft de rechtbank in Haarlem vorige week bepaald, zo schrijft Plein Plus. De werknemer was sinds 12 februari 2007 bij de werkgever in dienst, in de functie van commercieel manager packaging tegen een salaris van 6.076,62 euro bruto per maand. De arbeidsovereenkomst was voor onbepaalde tijd aangegaan. Bovendien werd een concurrentiebeding voor de duur van een jaar overeengekomen.
De rechter bepaalde dat de werknemer recht heeft op een vertrekpremie van 40.000 euro bruto als zijn werkgever afziet van het concurrentiebeding. Als de werkgever hem wel aan het beding houdt, krijgt de werknemer 100.000 euro bruto mee naar huis.

Een merkwaardige uitspraak, zeker als je de gehele tekst ervan leest. Ineens verschijnt er een niet onderbouwd criterium t.w. een groot afbreukrisico in de functie waardoor er een veel mindere ontslagbescherming zou bestaan en een grotere baanonzekerheid dan voor een gemiddelde werknemer (wat is eigenlijk een gemiddelde werknemer?) De kantonrechter spreekt tevens over 'redelijk begrote bedragen' (de 40.000,- en 100.000,-) die als ‘ontslagvergoeding’ (wat wordt hier eigenlijk vergoed?) ruimer zijn dan voor die gemiddelde werknemer. Het is onduidelijk waarop die redelijkheid is gebaseerd.

Verder staat er in de uitspraak: 'Telkens, voor zover mogelijk, te beschouwen als aanvulling op toekomstige uitkeringen of andere arbeidsinkomsten'. Wordt hier suppletie bedoeld op WW-uitkering?

Voor jurisprudentie lijkt me de uitspraak volstrekt onbruikbaar. Er is geen touw aan vast te knopen. Het wordt tijd voor een nieuwe ontwikkelingsgerichte visie op ontslag. Daaruit zou een faciliteringsregeling moeten voortvloeien die een soepele overgang naar een nieuwe werkkring mogelijk maakt. Niet door het toekennen van deze zakken met geld of via een onwerkelijke transferperiode zoals de Commissie Bakker voorstelt, maar met daadwerkelijke vergoeding van noodzakelijk te maken kosten voor die overstap. Zoals suppletie op de WW-uitkering gedurende de ingeschatte benodigde tijd om nieuw werk te vinden aangevuld met outplacementkosten. Daarmee zijn zowel werkgever als werknemer meer gebaat dan met dit type onbegrijpelijke uitspraken.

donderdag 26 juni 2008

TRANSFERPERIODE VAN COMMISSIE BAKKER TER DISCUSSIE

De Commissie Bakker stelt na een wettelijke opzegtermijn van een maand een transferfase voor van maximaal zes maanden. Daarin heeft de werkgever een plicht tot loondoorbetaling en een verantwoordelijkheid voor de reïntegratie van de werknemer. Na de transferperiode vindt een poortwachtertoets plaats om na te gaan of werkgever en werknemer zich voldoende hebben ingespannen om weer werk te vinden. De commissie lijkt hiermee het heikele vraagstuk van het ontslagrecht te omzeilen.

De gedachte van het samen als werkgever en medewerker op zoek gaan naar een nieuwe baan klinkt mooi, bijna idealistisch. Toch schuilt er iets naïefs in. Ik vind dat de commissieleden de ontslagpraktijk niet goed genoeg kennen, financieel de verkeerde keuzes maken en in het bijzonder voorbijgaan aan het psychologische effect van een ontslagaanzegging.

Ik heb hiervoor de volgende argumenten:

· Ongeacht de aandacht van werkgever voor opleiding en ontwikkeling van diens medewerkers en ongeacht het ontslagmotief geeft de aanzegging tot beëindiging van het dienstverband vrijwel altijd een schok. Men moet voor een verandering van werkkring innerlijk klaar zijn. Dat is meestal niet het geval als het besluit tot verandering niet zelf wordt genomen maar door iemand anders, zoals een baas. De wilsrichting moet door een ontslagbesluit van intern naar extern worden gekanteld en dat kost voor betrokkene tijd en inspanning.

· Extern oriënteren respectievelijk solliciteren is pas echt goed mogelijk als het ontslag is verwerkt en men zich innerlijk weer vrij voelt om energiek op zoek te gaan naar een nieuwe werkbestemming. Een ontslagaanzegging blijft bijna altijd slecht nieuws en geeft meestal een schok hoe je het ook wendt of keert. Die klap moet worden verwerkt. Daar gaat bij een langer dienstverband vaak al een half jaar of langer inzitten. Zeker als er tegelijkertijd meer onheil speelt, zoals het overlijden van een dierbare, een echtscheiding e.d. (en dat komt vaak voor).

· Als de sfeer onderling is vertroebeld, ga je niet meteen weer samen aan de slag om nieuw werk te zoeken. Die vertroebeling is in ontslagsituaties meer regel dan uitzondering.

· Naast de verwerking van het ontslag is de transferperiode eveneens te kort voor het doen van zelfonderzoek, oriëntatie op de arbeidsmarkt en solliciteren.

· Ontslagverwerking kan juist beter plaats vinden buiten het dienstverband om de onvermijdelijke onthechting beter kans van slagen te geven. Het met het éne been nog in de organisatie staan en met het andere moeten solliciteren, werkt niet goed. Interne mobiliteitscentra kampen in principe met hetzelfde probleem: een echte onthechting komt daarin slechts langzaam op gang. Consequentie zal zijn dat in de meeste gevallen er binnen de gehele transferperiode geen nieuwe baan zal worden gevonden.

· De werkgever moet naast zijn aandacht voor de bedrijfsvoering betrokken medewerker begeleiden bij het vinden van een baan. Na een half jaar toetst de overheid of hij zich daarbij wel voldoende heeft ingespannen. Ik vind dat een werkgever een soepele baanovergang juist moet faciliteren in plaats van dat hij voor de medewerker werk gaat zoeken. Dat is een verantwoordelijkheid van de medewerkers zelf en externe outplacementbureaus kunnen daarin een aanvullende begeleidingstaak hebben. Deze begeleiden op kosten van werkgever mensen bij het vinden van een nieuwe werkkring. De sollicitatieplicht kan komen te vervallen als men is ingeschreven bij een door de branche erkend outplacementbureau.

· De kosten van de transferperiode worden te eenzijdig gelegd bij de werkgevers. Zeker voor kleinere bedrijven is dat een relatief te zware opgave. Doorbetaling van loon zonder beëindiging van het dienstverband tijdens de transferperiode belemmert tevens de onvermijdelijke onthechting die noodzakelijk is om de steven naar een nieuwe werkkring te doen wenden. Ik vind daarom dat de ‘kosten’ anders moeten worden verdeeld. De nieuwe procedures en instrumenten (zoals de toets door de rechter ten aanzien van de rechtmatigheid van het ontslag, het werkbudget, de werkverzekering en instandhouding van de huidige ondeugdelijke kantonrechtersformule) vragen in dit verband alsnog een grondige beschouwing, debat en heroverweging.

donderdag 12 juni 2008

GUUSJE TER HORST IN FD 31 MEI 2008

‘Ik ben niet van plan het ambtenarenontslag aan te pakken. Ik ben wel benieuwd of de Commissie Bakker iets zegt over de ambtenaren in haar advies over de arbeidsdeelname in Nederland’, zegt minister Guusje Ter Horst op vraag van journalisten Ria Cats en Ria Roerink in het Financieele dagblad van 31 mei 2008.

Ze vindt het tevens verdedigbaar dat ambtenaren een speciale status hebben. Ter Horst: ‘Aan ambtenaren worden andere eisen gesteld dan aan werknemers bij bedrijven. Ambtenaren hebben een speciale relatie ten opzichte van hun politiek verantwoordelijke, en werken op basis van vertrouwen. Daar wil ik oog voor houden’. Ze wil best kijken naar het moderniseren van de arbeidsvoorwaarden en is daarover in gesprek met de bonden. Uiteindelijk vindt ze het geen halszaak. Ze wil gemotiveerd en proactief personeel en gelooft niet dat je dat bereikt door het ambtenarenreglement te veranderen.

Sinds de economie wereldeconomie is geworden is er sprake van een arbeidsdeling waarin objectief beschouwd vrijwel niemand meer voor zichzelf werkzaam is maar in wezen louter voor de ander. Aan het horloge om onze pols hebben bijvoorbeeld mensen uit de gehele wereld op de één of andere manier een bijdrage geleverd: in grondstoffendelving, transport, fabricage, energievoorziening, financiering, verkoop etc.

Wij werken niet meer op basis van zelfverzorging maar slechts ter bevrediging van andermans behoeften, ook al is ons motief gericht op het wel of niet geïnstitutionaliseerd eigenbelang. Landbouw, veeteelt en visserij bieden ons het voedsel dat wij dagelijks nodig hebben. Het openbaar vervoer voorziet in onze specifieke vervoersbehoeften. Overheden verlenen aan burgers en samenleving vele belangrijke diensten met voorzieningen, procedures en projecten. De industrie levert roerende en onroerende goederen. Elke bedrijfstak of sector voorziet op de één of andere manier in behoeften van mensen in onze samenleving. Wij werken wel of niet bewust niet anders dan voor de ander, voor elkaar, voor de samenleving, voor de gezondheid van de aarde, voor de toekomst van onze kinderen. Zo beschouwd is er geen grond meer voor het verbijzonderen van de status van de ambtenaar. Werken voor de ander stelt eisen aan de attitude van elke werkende mens aangezien bij even doordenken een ieder - ongeacht diens motief - werkzaam is voor het ‘publieke belang’. Werken in deze tijd betekent in essentie het leveren van een bijdrage aan (de ontwikkeling van) de samenleving, ongeacht de sector waarin men werkzaam is. Werken op basis van vertrouwen is niet speciaal weggelegd voor ambtenaren. Vertrouwen kunnen we beschouwen als het cement voor het (samen)werken van iedereen voor anderen.

Een aparte ambtelijke status is daarom uit de tijd. Gelijke monniken dragen nu eenmaal gelijke kappen.

Het toekennen van een speciale status aan ambtenaren heeft zijn grond in een (verouderd) theocratisch denken. In de theocratieën ver voor Christus zoals in het oude Egypte, Perzië, Babylonië e.d. werden geestelijk-culturele leven, rechtsleven en economisch leven nog in absolute zin van bovenaf geregeld door de priesterkaste. Daarover was geen discussie. Aanwijzingen voor de landbouw, de ambachten, de handel en de inrichting van het sociale leven kwamen, geïnspireerd door de godenwereld, uit de tempel. Voor twijfel was geen enkele denkbare ruimte.

In de Grieks-Romeinse tijd splitst het rechtsleven zich van de theocratie af, enerzijds door het ontstaan van de eerst nog prille democratie – de inspiratie uit de godenwereld droogde langzaamaan op (‘Götterdämmerung’) – anderzijds door het proces van vastlegging van talloze rechtsregels (de juridische wetgeving). Onze hedendaagse wetboeken vinden hierin hun oorsprong.

Vanaf de opkomst van de industrialisatie in de 19e eeuw begint vooral het economische leven zich steeds meer te verzelfstandigen. Desondanks zijn er als een soort nagalm nog steeds sterke tendensen om de staatsmacht zich te laten uitstrekken over niet alleen het eigen domein van de staat maar ook over dat van het economische en geestelijk-culturele leven.

Onze parlementaire democratie (‘politieke partijendemocratie’) geeft aan de burgers slechts summier gelegenheid een stem uit te brengen. Politici hebben nog steeds een afkeer van referenda. Het koningshuis met zijn erfopvolging wordt als decadente vorm van theocratie nog steeds in stand gehouden. Diverse politieke partijen zien de weg via de staat in de meeste gevallen nog als de enige weg om het land te besturen en veranderingen in de samenleving tot stand te brengen. In dat denken en handelen past een speciale status voor ambtenaren. Als eveneens een decadente afschaduwing van de oorspronkelijke theocratie. ‘All animals are equal, but some animals are more equal than others’, schreef George Orwell al. Het gaat nog steeds op.

COMMISSIE BAKKER

Een goed oordeel is nog niet mogelijk is omdat het definitieve rapport pas later in juni zal verschijnen. Toch kan op grond van wat er nu is uitgelekt nuchter worden vastgesteld dat de Commissie Bakker op de goede weg lijkt om het weerbarstige en kleverige ontslagvraagstuk daadwerkelijk een nieuwe impuls te geven. ‘Partijen’ als SER, Stichting van de Arbeid, kabinet en Tweede Kamer kwamen er immers niet uit. Ze trokken aan de uiteinden van hetzelfde touw en dat brak voortdurend in het midden.

Beroepsbevolking en economisch leven in ons land zijn gebaat bij ‘humanisering van ontslagprocessen’. Daartoe behoort het verduidelijken van en goed communiceren over de noodzaak tot externe loopbaanontwikkeling van medewerkers in specifieke gevallen en tevens het faciliteren van een soepele baanovergang. Bijvoorbeeld met behulp van een ontslagleidraad ter omvorming van de bestaande procedures via CWI en kantonrechter.

Het voorstel van de Commissie Bakker zou aangeven dat werkgevers en medewerkers gezamenlijk op zoek moeten gaan naar nieuw werk voor wie moet vertrekken. In de eerste periode (hoe lang?) voorafgaand aan de overgang naar een andere baan zouden werkgevers verplicht worden om het loon te blijven doorbetalen, omdat de arbeidsovereenkomst niet meteen wordt ontbonden. De Commissie Bakker zal over tijdstip en wijze van deze beëindiging iets moeten zeggen. De kosten worden anders daardoor wellicht wat al te eenzijdig bij de werkgever gelegd. En in geval van een onvermijdelijk gedwongen vertrek is het in zijn algemeenheid juist goed dat de noodzakelijke onthechting kan plaats vinden door de prikkel van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Voor de wijze waarop is invoering van een ontslagleidraad een geschikt middel. Ontbinding van de arbeidsovereenkomst en WW-uitkering kunnen geschieden indien het ontslagproces voldoet aan de richtlijnen uit een dergelijke ontslagleidraad.

Samen zoeken naar een nieuwe werkkring zou ten behoeve van een evenwichtiger verdeling van de lasten echter anders moeten worden ingevuld dan de Commissie lijkt te gaan voorstellen:

  • De overheid bekostigt de WW. De duur daarvan niet meer laten bepalen door het arbeidsverleden maar door de ingeschatte benodigde tijd per leeftijdscategorie (bijvoorbeeld tot 40, van 40-50 en vanaf 50) voor het vinden van nieuw werk;
  • De werkgever suppleert met een aan perioden gebonden afbouwstaffel als extra prikkel naarmate de tijd verstrijkt (tot 100%, 90%, 80% e.d. tot einde van een verkorte WW-duur ) en bekostigt outplacementbegeleiding;
  • De medewerker gaat zelf op zoek naar nieuw werk met zijn outplacementbegeleider en kan zijn levensloopregeling desgewenst benutten voor eigen aanvulling op de WW en af te bouwen suppletie van werkgever.

Dit betekent een omvorming van de huidige kantonrechtersformule tot een toekomstgerichte faciliteringsregeling.