donderdag 12 juni 2008

GUUSJE TER HORST IN FD 31 MEI 2008

‘Ik ben niet van plan het ambtenarenontslag aan te pakken. Ik ben wel benieuwd of de Commissie Bakker iets zegt over de ambtenaren in haar advies over de arbeidsdeelname in Nederland’, zegt minister Guusje Ter Horst op vraag van journalisten Ria Cats en Ria Roerink in het Financieele dagblad van 31 mei 2008.

Ze vindt het tevens verdedigbaar dat ambtenaren een speciale status hebben. Ter Horst: ‘Aan ambtenaren worden andere eisen gesteld dan aan werknemers bij bedrijven. Ambtenaren hebben een speciale relatie ten opzichte van hun politiek verantwoordelijke, en werken op basis van vertrouwen. Daar wil ik oog voor houden’. Ze wil best kijken naar het moderniseren van de arbeidsvoorwaarden en is daarover in gesprek met de bonden. Uiteindelijk vindt ze het geen halszaak. Ze wil gemotiveerd en proactief personeel en gelooft niet dat je dat bereikt door het ambtenarenreglement te veranderen.

Sinds de economie wereldeconomie is geworden is er sprake van een arbeidsdeling waarin objectief beschouwd vrijwel niemand meer voor zichzelf werkzaam is maar in wezen louter voor de ander. Aan het horloge om onze pols hebben bijvoorbeeld mensen uit de gehele wereld op de één of andere manier een bijdrage geleverd: in grondstoffendelving, transport, fabricage, energievoorziening, financiering, verkoop etc.

Wij werken niet meer op basis van zelfverzorging maar slechts ter bevrediging van andermans behoeften, ook al is ons motief gericht op het wel of niet geïnstitutionaliseerd eigenbelang. Landbouw, veeteelt en visserij bieden ons het voedsel dat wij dagelijks nodig hebben. Het openbaar vervoer voorziet in onze specifieke vervoersbehoeften. Overheden verlenen aan burgers en samenleving vele belangrijke diensten met voorzieningen, procedures en projecten. De industrie levert roerende en onroerende goederen. Elke bedrijfstak of sector voorziet op de één of andere manier in behoeften van mensen in onze samenleving. Wij werken wel of niet bewust niet anders dan voor de ander, voor elkaar, voor de samenleving, voor de gezondheid van de aarde, voor de toekomst van onze kinderen. Zo beschouwd is er geen grond meer voor het verbijzonderen van de status van de ambtenaar. Werken voor de ander stelt eisen aan de attitude van elke werkende mens aangezien bij even doordenken een ieder - ongeacht diens motief - werkzaam is voor het ‘publieke belang’. Werken in deze tijd betekent in essentie het leveren van een bijdrage aan (de ontwikkeling van) de samenleving, ongeacht de sector waarin men werkzaam is. Werken op basis van vertrouwen is niet speciaal weggelegd voor ambtenaren. Vertrouwen kunnen we beschouwen als het cement voor het (samen)werken van iedereen voor anderen.

Een aparte ambtelijke status is daarom uit de tijd. Gelijke monniken dragen nu eenmaal gelijke kappen.

Het toekennen van een speciale status aan ambtenaren heeft zijn grond in een (verouderd) theocratisch denken. In de theocratieën ver voor Christus zoals in het oude Egypte, Perzië, Babylonië e.d. werden geestelijk-culturele leven, rechtsleven en economisch leven nog in absolute zin van bovenaf geregeld door de priesterkaste. Daarover was geen discussie. Aanwijzingen voor de landbouw, de ambachten, de handel en de inrichting van het sociale leven kwamen, geïnspireerd door de godenwereld, uit de tempel. Voor twijfel was geen enkele denkbare ruimte.

In de Grieks-Romeinse tijd splitst het rechtsleven zich van de theocratie af, enerzijds door het ontstaan van de eerst nog prille democratie – de inspiratie uit de godenwereld droogde langzaamaan op (‘Götterdämmerung’) – anderzijds door het proces van vastlegging van talloze rechtsregels (de juridische wetgeving). Onze hedendaagse wetboeken vinden hierin hun oorsprong.

Vanaf de opkomst van de industrialisatie in de 19e eeuw begint vooral het economische leven zich steeds meer te verzelfstandigen. Desondanks zijn er als een soort nagalm nog steeds sterke tendensen om de staatsmacht zich te laten uitstrekken over niet alleen het eigen domein van de staat maar ook over dat van het economische en geestelijk-culturele leven.

Onze parlementaire democratie (‘politieke partijendemocratie’) geeft aan de burgers slechts summier gelegenheid een stem uit te brengen. Politici hebben nog steeds een afkeer van referenda. Het koningshuis met zijn erfopvolging wordt als decadente vorm van theocratie nog steeds in stand gehouden. Diverse politieke partijen zien de weg via de staat in de meeste gevallen nog als de enige weg om het land te besturen en veranderingen in de samenleving tot stand te brengen. In dat denken en handelen past een speciale status voor ambtenaren. Als eveneens een decadente afschaduwing van de oorspronkelijke theocratie. ‘All animals are equal, but some animals are more equal than others’, schreef George Orwell al. Het gaat nog steeds op.

Geen opmerkingen: